Het bos dat terugkeek
- woudenbergers-online

- 16 uur geleden
- 2 minuten om te lezen
Vanmiddag leek het alsof zon en wolken een oud, geheim spel speelden. Het licht verscheen, verdween, kwam terug als een fluistering. Precies het soort middag waarop de grens tussen werkelijkheid en sprookje dun wordt.
Ik fietste richting Den Treek, verder dan de Treekerweg, over de stille Waterlooweg, naar het donkere hart van het Vogelwater.
Hoe dieper ik kwam, hoe smaller de paden werden. Sommige verdwenen simpelweg tussen varens en jonge dennen, andere werden bewaakt door bordjes: verboden toegang.
Het voelde minder als een waarschuwing en meer als een betovering.
Ik wist waarom mensen zeiden dat je hier voorzichtig moest zijn.

Ooit was wolf Bram hier met zijn jonge gezin gezien. Men fluisterde over een hol bij het water. Ik had gezocht. Toen niet gevonden. Nu waarschijnlijk weer niet. Het gezin had zich toendertijd vaker teruggetrokken op het militaire terrein, waar stilte dikker is dan prikkeldraad.
Maar vandaag kwam ik niet alleen voor oude verhalen.
Ik kwam voor Sam. En voor Eva.
Hun namen klonken in mijn hoofd bij elke stap. Sam. Eva. Alsof het wachtwoorden waren die het bos misschien zou herkennen.
De wind ging liggen.
Geen vogel zong nog.
Zelfs mijn voetstappen leken te verdwijnen vóór ze geluid konden maken.En toen hoorde ik het.
Geen gehuil — daarvoor was het te dichtbij.
Meer een ademhaling. Een aanwezigheid. Links van me, achter een dichte muur van sparren.
Mijn hart bonsde zo hard dat ik bang was dat het als alarm door het bos zou galmen. Ik durfde niet te bewegen. Niet te roepen. Alleen te wachten.
Er gebeurde niets.
Of… toch wel.
Aan de rand van het pad, in een plek waar het zand nog zacht was, zag ik een afdruk die er een moment eerder nog niet was geweest. Groot. Rond. Vers.
Daarnaast — kleiner. Twee.
Niet oud, niet half uitgewist. Ze lagen daar alsof iemand ze zojuist voorzichtig had neergelegd. Alsof het bos zelf had gezegd: je krijgt geen ontmoeting, maar je krijgt een teken.
Een koude rilling trok over mijn rug, maar het was geen angst. Het was ontzag. Ik keek op.
Heel even, tussen twee stammen, gleed een schaduw voorbij. Geruisloos. Zo snel dat ik niet zeker wist of mijn ogen het werkelijk zagen of mijn verlangen.
Maar diep vanbinnen wist ik het.
Ze waren er.
Ze hadden mij eerder gezien dan ik hen ooit zou kunnen zien. Ze hadden besloten hoeveel van hun wereld ik mocht meenemen.
Twee pootafdrukken. Meer niet.
Toen brak plots de zon door het wolkendek. Het licht viel precies op het spoor, en in dat ene gouden moment leken ze bijna op te lichten, alsof ze elk moment weer konden verdwijnen.
Ik knikte. “Dank jullie,” fluisterde ik.
De wind kwam terug. Een vogel durfde weer te zingen. Het gewone leven hervatte zich, alsof het sprookje nooit had bestaan.
Maar toen ik me omdraaide om terug te lopen naar mijn fiets, wist ik één ding zeker: Ik had niets gezien. En toch had ik alles gekregen.








Opmerkingen